Mijn Heer heeft rechtvaardigheid geboden: uitleg van soera Al-A’raf, vers 29
Door F. Irfan Erdem ·

‘Zeg’: een antwoord op een verkeerde bewering
Het vers begint met het gebod “قُلْ” (Zeg). Het is God die dit gebiedt, en het gebod is gericht tot de Profeet Mohammed (vzmh, vrede zij met hem). Het is ook de Profeet (vzmh) die de woorden “أَمَرَ رَبِّي” (Mijn Heer heeft geboden) aan de mensen moet overbrengen. Het hele vers is Gods woord: God laat Zijn boodschapper weten wat hij tegen de mensen moet zeggen.
Om deze zin te begrijpen, moeten we naar het voorgaande vers kijken. Daar gaat het over mensen die, wanneer zij iets schandelijks doen, zeggen: “Zo vonden wij onze voorvaderen, en God heeft het ons geboden.” Hun wordt geantwoord: “God gebiedt nooit iets schandelijks” (Koran, Al-A’raf 7:28).
De vroege koranuitlegger At-Tabari verklaart het begin van het vers zo: God draagt Zijn Profeet op om de polytheïsten (de Mekkanen die naast God andere goden vereerden), die hun schandelijke daden als Gods gebod voorstelden, te laten weten dat zijn Heer zoiets niet gebiedt, maar juist rechtvaardigheid. Ook Mujahid en As-Suddi verklaren het woord “qist” hier als “rechtvaardigheid”. (At-Tabari, Jami’ al-Bayan, Al-A’raf 7:29) Zo zet vers 29 Gods werkelijke gebod tegenover de dwaling die in het vorige vers werd afgewezen.
Het vers luidt:
قُلْ أَمَرَ رَبِّي بِالْقِسْطِ ۖ وَأَقِيمُوا وُجُوهَكُمْ عِنْدَ كُلِّ مَسْجِدٍ وَادْعُوهُ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ ۚ كَمَا بَدَأَكُمْ تَعُودُونَ
“Zeg: Mijn Heer heeft rechtvaardigheid geboden. Wend bij elke prosternatie jullie gezicht naar Hem en roep Hem aan, terwijl jullie de godsdienst zuiver aan Hem alleen wijden. Zoals Hij jullie in het begin schiep, zo zullen jullie opnieuw tot Hem terugkeren.” (Koran, Al-A’raf 7:29)
‘Mijn Heer heeft rechtvaardigheid geboden’: wat betekent qist?
Het woord dat in het vers met “rechtvaardigheid” is vertaald, is “qist”. Koranuitleggers geven het betekenissen die elkaar aanvullen.
Volgens een uitleg die is overgeleverd van Ibn Abbas (r.a., moge God tevreden met hem zijn), een neef van de Profeet (vzmh) en een van de eerste uitleggers van de Koran, betekent “qist” hier “la ilaha illallah”:
لَا إِلٰهَ إِلَّا اللَّهُ
“Er is geen god dan God (Allah).” (Al-Qurtubi, al-Jami’ li-Ahkam al-Qur’an, Al-A’raf 7:29)
Ibn Ashur verklaart deze uitleg door erop te wijzen dat tawhid, het belijden van Gods eenheid, een van de grootste vormen van rechtvaardigheid is. Volgens hem is “qist” rechtvaardigheid in de ruimste zin: in alles de juiste maat tussen overdaad (ifrat) en tekortschieten (tafrit). Zo is vrijgevigheid een vorm van rechtvaardigheid tussen gierigheid en verspilling. (Ibn Ashur, at-Tahrir wa-t-Tanwir, Al-A’raf 7:29)
Ook Elmalılı Hamdi Yazır, een Turkse koranuitlegger uit de twintigste eeuw, begrijpt dit gebod als maat houden en zowel overdaad als tekortschieten vermijden.
Rechtvaardigheid is dus niet alleen een vonnis in de rechtszaal. Zij geldt bij het rechtspreken en evengoed in het gezin; zij reikt tot in iemands woorden, handel en gedrag.
Zonder besef van verantwoording blijft rechtvaardigheid een loze wens
Weten wat rechtvaardig is, is gemakkelijk; moeilijk is het daaraan trouw te blijven wanneer het in je eigen nadeel uitvalt. De stevigste grond waarop een mens rechtvaardig kan handelen, ondanks zijn eigen begeerten, zijn hebzucht en zijn wereldse belangen, is het vaste geloof (yaqin) dat hij tot zijn Schepper terugkeert en van alles tot in het kleinste detail rekenschap zal afleggen. De waarheid aan het slot van het vers, “Zoals Hij jullie in het begin schiep, zo zullen jullie opnieuw tot Hem terugkeren”, is de dragende pijler onder het gebod tot rechtvaardigheid aan het begin. Recht doen is dus de taak van ieder mens, en het slot van het vers laat doorschemeren dat hij daarover ook verantwoording zal moeten afleggen.
Wie luistert naar deze stem van de Koran, weet dat alles wat hij doet op een dag volledig ter sprake komt, en probeert niet van de rechtvaardigheid af te wijken:
فَاِذَا جَٓاءَتِ الصَّٓاخَّةُؗ﴿٣٣﴾ يَوْمَ يَفِرُّ الْمَرْءُ مِنْ اَخٖيهِۙ﴿٣٤﴾ وَاُمِّهٖ وَاَبٖيهِۙ﴿٣٥﴾ وَصَاحِبَتِهٖ وَبَنٖيهِؕ﴿٣٦﴾ لِكُلِّ امْرِئٍ مِنْهُمْ يَوْمَئِذٍ شَأْنٌ يُغْنٖيهِؕ﴿٣٧﴾ وُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ مُسْفِرَةٌۙ﴿٣٨﴾ ضَاحِكَةٌ مُسْتَبْشِرَةٌۚ﴿٣٩﴾ وَوُجُوهٌ يَوْمَئِذٍ عَلَيْهَا غَبَرَةٌۙ﴿٤٠﴾ تَرْهَقُهَا قَتَرَةٌؕ﴿٤١﴾ اُو۬لٰٓئِكَ هُـمُ الْكَفَرَةُ الْفَجَرَةُ﴿٤٢﴾
“Wanneer de oorverdovende klank komt, op die dag vlucht de mens weg van zijn broer, van zijn moeder en zijn vader, van zijn echtgenote en zijn kinderen. Ieder van hen heeft op die dag genoeg aan zijn eigen zaak. Sommige gezichten stralen op die dag; zij lachen en verheugen zich over de goede tijding. Andere gezichten zijn op die dag met stof bedekt en door duisternis overmand. Dat zijn de ongelovigen, de zondaars.” (Koran, ’Abasa 80:33-42)
Deze verzen worden niet gelezen om over anderen te oordelen, maar om naar de eigen toestand te kijken. Als zelfs de naasten op die dag voor elkaar wegvluchten, dan is het verstandigste wat een mens vandaag kan doen: eerlijk zijn eigen rekening bijhouden en bij niemand in het krijt staan.
Bij elke prosternatie het gezicht naar Hem wenden en oprecht bidden
Het tweede gebod van het vers is de zin “وَأَقِيمُوا وُجُوهَكُمْ عِنْدَ كُلِّ مَسْجِدٍ” (Wend bij elke prosternatie jullie gezicht naar Hem). De prosternatie (sajda) is het moment in het islamitische gebed waarop de gelovige knielt en met het voorhoofd de grond raakt. Volgens de uitleg waaraan At-Tabari de voorkeur gaf, wordt de mensen hier geboden zich in het gebed tot niets anders te richten dan tot hun Heer en hun gebeden alleen aan Hem te wijden. (At-Tabari, Jami’ al-Bayan, Al-A’raf 7:29)
Ibn Ashur vergelijkt de uitdrukking “het gezicht oprichten” met iemand die naar iets belangrijks kijkt en zich er met volle aandacht op richt, zonder naar links of rechts te kijken. Volgens hem is dit een beeld van volledige toewending tot God in de aanbidding. (Ibn Ashur, at-Tahrir wa-t-Tanwir, Al-A’raf 7:29)
Ook Ibn Kathir legt het vers zo uit: God gebiedt standvastig te zijn in de aanbidding, dat wil zeggen te volgen wat de profeten hebben gebracht, en de aanbidding alleen aan Hem te wijden. Een daad wordt alleen aanvaard onder twee voorwaarden: zij moet passen bij de maatstaf die God heeft gegeven, en zij moet vrij zijn van shirk (het naast God plaatsen van andere goden). (Ibn Kathir, Tafsir al-Qur’an al-’Azim, Al-A’raf 7:29)
Dit gebod staat zij aan zij met het gebod tot rechtvaardigheid. Wie vijf keer per dag rechtop voor zijn Heer staat en zich voor Hem neerbuigt, wordt er elke keer aan herinnerd dat hij eens tot Hem terugkeert. Uit die herinnering groeit ook de kracht om tegenover mensen het recht niet te verdraaien.
Het gebod dat volgt, “وَادْعُوهُ مُخْلِصِينَ لَهُ الدِّينَ” (Roep Hem aan, terwijl jullie de godsdienst zuiver aan Hem alleen wijden), drukt de kern van deze toewending uit. Volgens Ibn Ashur betekent ‘aanroepen’ hier aanbidden; ikhlas (oprechtheid) is iets zuiveren van alles wat zich ermee vermengt. Wie weigert naast God andere goden te plaatsen, brengt daarmee ook het gebod tot rechtvaardigheid aan het begin van het vers in praktijk. (Ibn Ashur, at-Tahrir wa-t-Tanwir, Al-A’raf 7:29)
De Profeet (vzmh) verwoordde de plaats van de persoonlijke smeekbede (du’a) zo:
"الدُّعَاءُ هُوَ الْعِبَادَةُ"
“De smeekbede is de aanbidding zelf.” Daarna reciteerde hij het vers “Jullie Heer heeft gezegd: Roep Mij aan, dan zal Ik jullie verhoren” (Koran, Ghafir 40:60). (Tirmidhi, Ad-Da’awat, 3372. Tirmidhi beoordeelt deze overlevering als hasan sahih.)
Ikhlas is ook de waarborg van rechtvaardigheid. Wie zijn werk doet om God te behagen, verdraait het recht niet voor de lof van anderen of voor zijn eigen belang; hij weet immers waar hij werkelijk rekenschap zal afleggen.
‘Zoals Hij jullie in het begin schiep, zo zullen jullie tot Hem terugkeren’
Het vers eindigt met de zin “كَمَا بَدَأَكُمْ تَعُودُونَ” (Zoals Hij jullie in het begin schiep, zo zullen jullie opnieuw tot Hem terugkeren). Volgens Ibn Ashur hangt deze zin samen met het gebod tot oprechtheid dat er direct aan voorafgaat: hij herinnert de mensen eraan dat zij tot hun Heer terugkeren en rekenschap zullen afleggen van de oprechtheid van hun aanbidding. Tegelijk zegt hij tegen wie de opstanding onwaarschijnlijk vindt: de tweede schepping is niet verbazingwekkender dan de eerste. (Ibn Ashur, at-Tahrir wa-t-Tanwir, Al-A’raf 7:29)
Zo raken het begin en het einde van het vers elkaar: de Heer die rechtvaardigheid gebiedt, is ook Degene die rekenschap zal vragen.
Volgens Ibn Kathir gaf At-Tabari de voorkeur aan de opvatting die deze zin zo begrijpt: “Zoals Hij jullie in het begin schiep, zo zal Hij jullie aan het einde weer tot leven wekken.” (Ibn Kathir, Tafsir al-Qur’an al-’Azim, Al-A’raf 7:29) De Profeet (vzmh) beschreef deze terugkeer, samen met het hierboven aangehaalde vers uit soera ’Abasa, als volgt:
«تُحْشَرُونَ حُفَاةً عُرَاةً غُرْلاً» فَقَالَتِ امْرَأَةٌ: أَيُبْصِرُ أَوْ يَرَى بَعْضُنَا عَوْرَةَ بَعْضٍ؟ قَالَ: «يَا فُلاَنَةُ، ﴿لِكُلِّ امْرِئٍ مِنْهُمْ يَوْمَئِذٍ شَأْنٌ يُغْنِيهِ﴾»
“Jullie zullen (op de Dag des Oordeels) blootsvoets, naakt en onbesneden worden verzameld.” Toen een vrouw vroeg: “Zullen wij dan elkaars naaktheid zien?”, sprak hij haar bij haar naam aan en zei: “‘Ieder van hen heeft op die dag genoeg aan zijn eigen zaak.’” (Tirmidhi, Tafsir al-Qur’an, 3332. Tirmidhi beoordeelt deze overlevering als hasan sahih.)
De mens kwam zonder iets in deze wereld; bij zijn terugkeer zullen ook zijn titels, zijn bezit en zijn kring niet bij hem zijn. Wat overblijft, is alleen wat hij heeft gedaan en hoe hij met mensen is omgegaan: zijn karakter. Juist hier blijkt de waarde van rechtvaardigheid.
Tot slot: rechtvaardigheid is het werk van een hart dat de terugkeer niet vergeet
Vers 29 van soera Al-A’raf brengt in één zin drie dingen samen: aan het begin gebiedt het rechtvaardigheid, in het midden vraagt het om het gezicht naar God te wenden en Hem oprecht aan te roepen, en aan het einde herinnert het eraan dat ieder mens tot Hem terugkeert. Deze drie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Rechtvaardigheid is een waarde die iedereen hoogacht; voor de gelovige wordt zij gedragen door het besef van verantwoording, dat bij elke prosternatie wordt vernieuwd.
Dit besef roept de mens niet op om anderen te veroordelen, maar om eerst zijn eigen leven op orde te brengen: rechtvaardig te zijn in het gezin, in de buurt, op het werk en tegenover de samenleving. De rechtvaardigheid die de Koran gebiedt, wordt vooral in zulke kleine, alledaagse momenten geleefd.
De gelovige man uit het volk van Farao besloot zijn raad aan zijn volk met overgave aan God. Ook wij zeggen wat wij te zeggen hebben en laten onze zaak aan God over:
فَسَتَذْكُرُونَ مَٓا اَقُولُ لَكُمْۜ وَاُفَوِّضُ اَمْر۪ٓي اِلَى اللّٰهِۜ اِنَّ اللّٰهَ بَص۪يرٌ بِالْعِبَادِ
“Binnenkort zullen jullie je herinneren wat ik jullie zeg. Ik vertrouw mijn zaak aan God toe. Voorwaar, God ziet Zijn dienaren volkomen.” (Koran, Ghafir 40:44)
(Vertalingen van Koranverzen en overleveringen zijn gemaakt vanuit het Arabische origineel.)
Onderwerpen
- rechtvaardigheid
