Ga direct naar de inhoud

Zijn wij zelf wel eerlijk?

Door F. Irfan Erdem ·

Een nadenkende, modern geklede man zit aan een houten tafel naast een boek. De titel ‘Zijn wij zelf wel eerlijk?’ nodigt uit tot zelfreflectie, oprechtheid en het voorleven van islamitische waarden.

De eerlijkheid die wij van anderen verwachten

Soms denken wij over mensen met een andere religie of levensbeschouwing: “Waren ze maar wat eerlijker en keken ze ook eens met die blik naar de Edele Koran en naar de boodschap van de Profeet Mohammed (vzmh)! Eerlijkheid zou ook hun ogen openen en hen tot andere conclusies kunnen brengen. Konden ze hun vooroordelen maar even opzijzetten en de islam rechtvaardig beoordelen!”

Met zulke gedachten roepen wij onze gesprekspartners op tot een eerlijk en onbevooroordeeld oordeel. Die oproep vindt zijn grond in de Koran zelf:

قُلْ إِنَّمَا أَعِظُكُمْ بِوَاحِدَةٍ ۖ أَنْ تَقُومُوا لِلَّهِ مَثْنَىٰ وَفُرَادَىٰ ثُمَّ تَتَفَكَّرُوا ۚ مَا بِصَاحِبِكُمْ مِنْ جِنَّةٍ ۚ إِنْ هُوَ إِلَّا نَذِيرٌ لَكُمْ بَيْنَ يَدَيْ عَذَابٍ شَدِيدٍ

“Zeg: ‘Ik geef jullie slechts één raad: sta op omwille van Allah, twee aan twee en ieder afzonderlijk, en denk dan goed na. In jullie metgezel is geen spoor van waanzin. Hij is slechts een waarschuwer voor jullie, voordat er een zware bestraffing komt.’” (Koran, Saba 34:46)

Het vers roept de mens op om – samen met een ander of alleen – na te denken met een geest die vrij is van vooroordelen. Dat is precies waar eerlijkheid om draait.

Ons deel van de taak

Maar houden we, wanneer we anderen tot eerlijkheid oproepen, ook rekening met ons eigen aandeel? In hoeverre hebben wij de waarheid werkelijk bij hen gebracht? Hebben we een overtuigende en betrouwbare houding laten zien? Hebben we onze waarden zó voorgeleefd dat hun gevoel voor eerlijkheid erdoor wordt aangesproken?

De Koran beschrijft ook duidelijk de weg en de stijl van de uitnodiging:

ادْعُ إِلَىٰ سَبِيلِ رَبِّكَ بِالْحِكْمَةِ وَالْمَوْعِظَةِ الْحَسَنَةِ ۖ وَجَادِلْهُمْ بِالَّتِي هِيَ أَحْسَنُ ۚ إِنَّ رَبَّكَ هُوَ أَعْلَمُ بِمَنْ ضَلَّ عَنْ سَبِيلِهِ ۖ وَهُوَ أَعْلَمُ بِالْمُهْتَدِينَ

“Nodig uit tot de weg van je Heer met wijsheid en goede raad, en discussieer met hen op de beste manier. Voorwaar, je Heer weet het best wie van Zijn weg is afgedwaald en wie de juiste weg volgt.” (Koran, An-Nahl 16:125)

En de meest overtuigende vorm van wijsheid, goede raad en de beste stijl is dat wat gezegd wordt, zichtbaar is in het leven van wie het zegt.

Getal en gewicht

Als moslims zijn we naar talloze landen gegaan, en op sommige plaatsen zijn we zelfs een aanzienlijk getal geworden. Maar een gewicht dat bij dat getal past – dat wil zeggen vertrouwen, aanzien en weerklank in de harten – hebben we niet verworven.

Een belangrijke reden daarvoor is dat we vaak alleen om in ons levensonderhoud te voorzien naar die plaatsen gingen. Op zoek gaan naar een bestaan is natuurlijk legitiem, en het harde werk van de generaties die die weg aflegden, verdient respect; maar onze waarden hebben we niet in dezelfde mate meegebracht als onze arbeid.

De samenlevingen waarin we leven, kenden ons dan ook vaak alleen als arbeidskrachten – niet als buren met iets te zeggen en met waarden om te delen. Helaas zal ook het statusverschil tussen de nieuwe arbeidskrachten en de lokale bevolking daar flink aan hebben bijgedragen.

Want mensen kijken vaak niet naar wat er gezegd wordt, maar naar de positie van wie het zegt; dat is een zeer oude menselijke zwakte. Toen de profeet Mozes (vzmh) bekendmaakte dat hij was gekomen als boodschapper van de Heer der werelden, ging ook Farao niet in op de woorden zelf, maar herinnerde hij hem aan zijn verleden:

قَالَ أَلَمْ نُرَبِّكَ فِينَا وَلِيدًا وَلَبِثْتَ فِينَا مِنْ عُمُرِكَ سِنِينَ

“Farao zei: ‘Hebben wij jou niet als kind bij ons grootgebracht? Je hebt vele jaren van je leven bij ons doorgebracht.’” (Koran, Ash-Shu‘ara 26:18)

Aan de manier waarop Mozes (vzmh) de boodschap overbracht, ontbrak niets; het verleden waaraan Farao hem herinnerde, was niet meer dan een voorwendsel om de waarheid af te wijzen. Onze taak is echter niet om de vooroordelen van anderen op te sommen, maar om nog eens kritisch te bekijken met welke intentie wij die weg zijn ingeslagen. Is onze intentie het welbehagen van Allah, dan zeggen wij: Allah heeft ons door ons geloof al waardigheid geschonken.

Deze woorden van de Profeet (vzmh) herinneren eraan dat de uitkomst nooit verder reikt dan de horizon van de intentie:

إِنَّمَا الْأَعْمَالُ بِالنِّيَّاتِ، وَإِنَّمَا لِكُلِّ امْرِئٍ مَا نَوَى، فَمَنْ كَانَتْ هِجْرَتُهُ إِلَى دُنْيَا يُصِيبُهَا أَوْ إِلَى امْرَأَةٍ يَنْكِحُهَا، فَهِجْرَتُهُ إِلَى مَا هَاجَرَ إِلَيْهِ

“Daden worden slechts beoordeeld naar de intenties, en ieder mens krijgt slechts wat hij beoogde. Wie emigreerde om iets van deze wereld te verkrijgen of om met een vrouw te trouwen, diens emigratie geldt voor datgene waarvoor hij emigreerde.” (Bukhari, Bad’ al-Wahy, 1; Muslim, Al-Imara, 1907)

Daarom kunnen we, hoewel moslims naar talloze plaatsen zijn gegaan, niet zeggen dat de boodschap van de islam de mensen daar heeft bereikt op de manier en het niveau waarop dat had gemoeten.

Eerst eerlijk tegenover onszelf

Moeten we eerlijkheid dan niet eerst bij onszelf laten beginnen? Moeten we onszelf niet eerst ter verantwoording roepen, omdat we niet naar behoren naar alle uithoeken van de wereld zijn gegaan, geen overtuigende houding en levenswijze hebben laten zien en de prachtige waarheden van de Koran niet even mooi hebben voorgeleefd?

Wat de profeet Shu‘ayb tegen zijn volk zei, geeft de maatstaf voor wie anderen uitnodigt: iemand die zelf niet doet wat hij verbiedt, en eerst zelf naleeft wat hij zegt.

قَالَ يَا قَوْمِ أَرَأَيْتُمْ إِنْ كُنْتُ عَلَىٰ بَيِّنَةٍ مِنْ رَبِّي وَرَزَقَنِي مِنْهُ رِزْقًا حَسَنًا ۚ وَمَا أُرِيدُ أَنْ أُخَالِفَكُمْ إِلَىٰ مَا أَنْهَاكُمْ عَنْهُ ۚ إِنْ أُرِيدُ إِلَّا الْإِصْلَاحَ مَا اسْتَطَعْتُ ۚ وَمَا تَوْفِيقِي إِلَّا بِاللَّهِ ۚ عَلَيْهِ تَوَكَّلْتُ وَإِلَيْهِ أُنِيبُ

“Shu‘ayb zei: ‘O mijn volk! Zeg mij eens: wat als ik steun op een duidelijk bewijs van mijn Heer, en Hij mij van Zich uit een goede voorziening heeft geschonken? Ik wil niet tegen jullie ingaan door zelf te doen wat ik jullie verbied. Ik wil niets anders dan verbetering brengen, zoveel als ik kan. Mijn welslagen is er alleen door de hulp van Allah. Op Hem alleen vertrouw ik en tot Hem alleen keer ik mij.’” (Koran, Hud 11:88)

Onze gesprekspartners zouden tegen ons kunnen zeggen: “Wat jullie vertellen is prachtig, maar we hebben geen gemeenschap gezien die deze waarheden tot het hart van haar leven heeft gemaakt. We zijn geen mensen tegengekomen die die verheven moraal naleven. We hebben geen voorbeelden van deugd gezien die hun leven tot in de puntjes zorgvuldig leiden. Waar zijn de mensen die alle deuren naar de zonde hebben gesloten, maar voor het goede altijd openstaan en ernaar verlangen? Waar zijn de levende voorbeelden van een leven als gelovige? Verwacht niet dat wij geloven zolang wij zulke mensen niet hebben gezien!”

Wat antwoorden wij als zij dit excuus in het hiernamaals ook in de tegenwoordigheid van Allah naar voren brengen? Daarom mogen we niet vergeten: wie anderen in naam van eerlijkheid oproept om de waarheid te respecteren, moet zelf een leven laten zien dat hun gevoel voor eerlijkheid wekt. De Koran waarschuwt in krachtige bewoordingen tegen de kloof tussen woord en daad:

يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُوا لِمَ تَقُولُونَ مَا لَا تَفْعَلُونَ ﴿٢﴾ كَبُرَ مَقْتًا عِنْدَ اللَّهِ أَنْ تَقُولُوا مَا لَا تَفْعَلُونَ

“O jullie die geloven! Waarom zeggen jullie wat jullie niet doen? Dat jullie zeggen wat jullie niet doen, wekt bij Allah grote toorn.” (Koran, As-Saff 61:2-3)

De bron van vertrouwen: voorleven

Wie de Profeet (vzmh) kende, noemde hem al vóór de openbaring “al-Amin”: de betrouwbare (Al-Hakim, Al-Mustadrak, I, 458). Hoe diep dat vertrouwen geworteld was, laat de gebeurtenis op de heuvel Safa duidelijk zien, zoals Ibn Abbas (r.a.) die overlevert:

عَنِ ابْنِ عَبَّاسٍ رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُمَا قَالَ: لَمَّا نَزَلَتْ ﴿وَأَنْذِرْ عَشِيرَتَكَ الْأَقْرَبِينَ﴾ صَعِدَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ عَلَى الصَّفَا، فَجَعَلَ يُنَادِي: «يَا بَنِي فِهْرٍ، يَا بَنِي عَدِيٍّ» لِبُطُونِ قُرَيْشٍ، حَتَّى اجْتَمَعُوا، فَجَعَلَ الرَّجُلُ إِذَا لَمْ يَسْتَطِعْ أَنْ يَخْرُجَ أَرْسَلَ رَسُولًا لِيَنْظُرَ مَا هُوَ، فَجَاءَ أَبُو لَهَبٍ وَقُرَيْشٌ، فَقَالَ: «أَرَأَيْتَكُمْ لَوْ أَخْبَرْتُكُمْ أَنَّ خَيْلًا بِالْوَادِي تُرِيدُ أَنْ تُغِيرَ عَلَيْكُمْ، أَكُنْتُمْ مُصَدِّقِيَّ؟» قَالُوا: نَعَمْ، مَا جَرَّبْنَا عَلَيْكَ إِلَّا صِدْقًا. قَالَ: «فَإِنِّي نَذِيرٌ لَكُمْ بَيْنَ يَدَيْ عَذَابٍ شَدِيدٍ». فَقَالَ أَبُو لَهَبٍ: تَبًّا لَكَ سَائِرَ الْيَوْمِ، أَلِهَذَا جَمَعْتَنَا؟ فَنَزَلَتْ: ﴿تَبَّتْ يَدَا أَبِي لَهَبٍ وَتَبَّ ۝ مَا أَغْنَىٰ عَنْهُ مَالُهُ وَمَا كَسَبَ﴾‏

Ibn Abbas (r.a.) vertelt: Toen het vers “En waarschuw je naaste verwanten” (Koran, Ash-Shu‘ara 26:214) werd geopenbaard, beklom de Profeet (vzmh) de heuvel Safa en begon hij de clans van Quraysh te roepen: “O Banu Fihr! O Banu Adi!” Uiteindelijk kwamen zij bijeen; wie zelf niet kon komen, stuurde iemand om te zien wat er aan de hand was. Ook Abu Lahab en de Quraysh kwamen. De Profeet vroeg: “Wat denken jullie: als ik jullie zou vertellen dat er in dit dal ruiters zijn die jullie willen overvallen, zouden jullie mij dan geloven?” “Ja,” zeiden zij, “we hebben van jou nooit iets anders dan oprechtheid meegemaakt.” Daarop zei hij: “Dan ben ik een waarschuwer voor jullie, voordat er een zware bestraffing komt.” Abu Lahab zei: “Moge je de hele dag te gronde gaan! Heb je ons hiervoor bijeengeroepen?” Daarna werden deze verzen geopenbaard: “Mogen de beide handen van Abu Lahab verdorren – en hij is al verdord! Zijn bezit noch wat hij verwierf, heeft hem iets gebaat.” (Koran, Al-Masad 111:1-2) (Bukhari, At-Tafsir, 4770)

Dit vertrouwen garandeerde geen aanvaarding; op diezelfde heuvel wendde Abu Lahab zich af. Zoals het einde van het vers uit soera An-Nahl ons herinnerde, weet Allah het best wie de juiste weg vindt. Maar vertrouwen is de bodem die nodig is, wil de waarheid kunnen aankloppen.

Bovendien konden zelfs zijn tegenstanders dit vertrouwen niet ontkennen. Toen Abu Sufyan nog tegen de islam was, vroeg de Byzantijnse keizer Heraclius hem: “Hebben jullie hem ooit van liegen beschuldigd voordat hij deze woorden sprak?” Abu Sufyan antwoordde: “Nee.” Heraclius concludeerde daaruit dat iemand die het liegen over mensen achterwege laat, niet over Allah zal liegen (Bukhari, Bad’ al-Wahy, 7).

Deze verheven levenswandel van de Profeet (vzmh) bracht zijn gesprekspartners ertoe zich tot de Koran te wenden, gehoor te geven aan de boodschap van de islam en te luisteren naar hem van wie iedereen wist dat hij de waarheid sprak. Zijn weergaloze voorbeeld wekte het gevoel voor eerlijkheid in de gewetens. De Koran beschrijft zijn karakter als volgt:

وَإِنَّكَ لَعَلَىٰ خُلُقٍ عَظِيمٍ

“Voorwaar, jij bezit een zeer verheven karakter.” (Koran, Al-Qalam 68:4)

Ook wat Abdullah ibn Salam (r.a.) – een van de vooraanstaande joodse geleerden van Medina, die later moslim werd – vertelt over het moment waarop hij de Profeet voor het eerst zag, wijst op dezelfde waarheid:

عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ سَلَامٍ رَضِيَ اللَّهُ عَنْهُ قَالَ: لَمَّا قَدِمَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ الْمَدِينَةَ انْجَفَلَ النَّاسُ إِلَيْهِ، وَقِيلَ: قَدِمَ رَسُولُ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ، فَجِئْتُ فِي النَّاسِ لِأَنْظُرَ إِلَيْهِ، فَلَمَّا اسْتَبَنْتُ وَجْهَ رَسُولِ اللَّهِ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ عَرَفْتُ أَنَّ وَجْهَهُ لَيْسَ بِوَجْهِ كَذَّابٍ، وَكَانَ أَوَّلَ شَيْءٍ تَكَلَّمَ بِهِ أَنْ قَالَ: «أَيُّهَا النَّاسُ، أَفْشُوا السَّلَامَ، وَأَطْعِمُوا الطَّعَامَ، وَصَلُّوا وَالنَّاسُ نِيَامٌ، تَدْخُلُونَ الْجَنَّةَ بِسَلَامٍ»‏

Abdullah ibn Salam (r.a.) vertelt: Toen de Boodschapper van Allah (vzmh) in Medina aankwam, stroomden de mensen naar hem toe. Er werd geroepen: “De Boodschapper van Allah is gekomen!” Ook ik ging tussen de mensen staan om hem te zien. Toen ik zijn gezicht goed kon zien, wist ik dat dit niet het gezicht van een leugenaar was. Het eerste wat hij zei, was: “O mensen! Verspreid de vredesgroet, geef anderen te eten en verricht het gebed terwijl de mensen slapen; dan zullen jullie in vrede het paradijs binnengaan.” (Tirmidhi, Sifat al-Qiyama, 2485. Tirmidhi beoordeelt deze overlevering als sahih, authentiek.)

Opvallend is: wat Abdullah ibn Salam als eerste raakte, was geen bewijsvoering, maar een gezicht. En het eerste wat hij hoorde, was geen debat, maar een uitnodiging om de vredesgroet te verspreiden, mensen te eten te geven en Allah te aanbidden.

Waar woord en daad elkaar ontmoeten

Ook vandaag is het voorleven dat harten raakt en mensen tot eerlijkheid brengt. Weinigen zeggen dat zij de waarheid alleen vonden door woorden die zij hoorden. Afgezien van hen die gegrepen werden door het weergaloze wonder van de Edele Koran en zo de juiste weg vonden – of beter gezegd: naar de juiste weg werden geleid –, vertellen de meesten dat iets wat zij bij een oprechte gelovige zagen, hun hart voor de waarheid opende. In feite zijn ook de woorden die mensen de juiste weg wijzen, woorden die uit het hart komen en waarachter een geleefd leven staat. Het uitdragen van de boodschap krijgt pas door oprecht voorleven zijn ware waarde.

Volgens de Koran is degene die het mooist spreekt, ook degene die uitnodigen en goede daden met elkaar verbindt:

وَمَنْ أَحْسَنُ قَوْلًا مِمَّنْ دَعَا إِلَى اللَّهِ وَعَمِلَ صَالِحًا وَقَالَ إِنَّنِي مِنَ الْمُسْلِمِينَ

“Wie spreekt er mooier dan iemand die tot Allah uitnodigt, goede daden verricht en zegt: ‘Ik behoor tot de moslims’?” (Koran, Fussilat 41:33)

Kortom: eerlijkheid is in de eerste plaats een plicht tegenover onszelf. Een onbevooroordeelde blik van anderen vragen is ons goed recht; maar wat die blik bij ons aantreft, is onze eigen verantwoordelijkheid. Toen de Profeet (vzmh) omschreef wie een gelovige is, beperkte hij de maatstaf niet tot moslims, maar betrok hij alle mensen erbij:

الْمُسْلِمُ مَنْ سَلِمَ الْمُسْلِمُونَ مِنْ لِسَانِهِ وَيَدِهِ، وَالْمُؤْمِنُ مَنْ أَمِنَهُ النَّاسُ عَلَى دِمَائِهِمْ وَأَمْوَالِهِمْ

“Een moslim is iemand voor wiens tong en hand de moslims veilig zijn. En een gelovige is iemand op wie de mensen vertrouwen als het gaat om hun leven en hun bezit.” (Tirmidhi, Al-Iman, 2627. Tirmidhi beoordeelt deze overlevering als hasan sahih.)

Dat onze buren, onze collega’s en iedereen die we onderweg tegenkomen ons kunnen vertrouwen, gaat vóór elk woord dat we spreken. We streven daarnaar zonder van wie dan ook iets terug te verwachten, want alleen Allah weet wiens hart zich zal openen. Onze taak is om met ons eigen gedrag geen hindernis op te werpen tussen de mensen en de waarheid.

Daarom beschouwen we het gebed van de profeet Abraham (Ibrahim) en van hen die bij hem waren, als ons eigen gebed. Mujahid verklaart dit gebed als de wens dat wat de gelovigen overkomt, hen die niet geloven niet doet zeggen: “Als zij op de waarheid stonden, was hun dit niet overkomen” (Ibn Kathir, Tafsir al-Qur’an al-‘Azim, bij Koran 60:5). Vandaag kunnen we dit gebed uitspreken met de intentie dat ook onze eigen tekortkomingen voor niemand een reden worden om zich van de waarheid af te keren:

رَبَّنَا لَا تَجْعَلْنَا فِتْنَةً لِلَّذِينَ كَفَرُوا وَاغْفِرْ لَنَا رَبَّنَا ۖ إِنَّكَ أَنْتَ الْعَزِيزُ الْحَكِيمُ

“Onze Heer! Maak ons niet tot een beproeving voor hen die niet geloven. Vergeef ons, onze Heer! Voorwaar, U bent de Almachtige, de Alwijze.” (Koran, Al-Mumtahana 60:5)

(Vertalingen van Koranverzen en overleveringen zijn gemaakt vanuit het Arabische origineel.)

Onderwerpen

  • eerlijkheid
  • samenlevingen

Alle artikelen

Doneer